Hoe dol ik ook ben op Martin Bril, het woord ‘rokjesdag’ krijg ik niet meer lekker mijn strot uit. Te male gaze, denk ik. Maar er is wel iets anders.
Dat is: die ene perongelukke lentedag als het nog februari is.
Mest
Het begon al de dag ervoor: ik rook het. Vroege lente in de stad heeft de geur van mest, vraag me niet hoe het kan.
En toen was het ineens ontploft. Terrasjes. Mensen die uit hun holen kwamen.
J zegt (en hele grote groepen mensen zeggen dat in Nederland) dat het ook fijn is met die seizoenen, iets met knus en kaarsjes en ook schaatsen en boerenkool. Ikzelf denk meer: waar is het licht, waar is het licht gebleven? En van kou krimp je letterlijk ineen, na Brazilië was mijn hele lichaam van slag. Ik kan ook steeds minder goed tegen fietsen door de snijdende wind, lijkt wel.
Elke woensdag wandelen mijn zus en ik een uurtje door het Oosterpark, dat ligt precies tussen ons beider huizen in. Hoe druk we het ook hebben, we banjeren een paar rondjes door dat park en dan kletsen we over hoe de week was, voor haar en voor mij. Dat doen we al jaren, we hebben al heel wat voorbij zien komen. We lopen als het regent, ook als het guur is met rotwind, als er niemand anders in dat stadspark is dan de junks en een paar verbeten hondenbezitters. We troffen dit jaar ook samen de meest schitterende sneeuwdag toen dat verder zo square park ineens leek op een winterschilderij van Brueghel.
En nu dus die rare lentedag in februari.
Daar liepen we, de zussen, langs de krokussen, de eerste knoppen aan de kale bomen, we gingen zitten op een bankje en de zon kuste onze wangen. En we praatten en praatten, zoals altijd. Want dat is onveranderlijk.
Ja, er komt natuurlijk weer regen, vandaag al, en maart met zijn fokking staart, maar wij hadden hem gevoeld: die geheime streling van de lente, de tover van het nieuwe en we ademden diep in, in de geruststellende wetenschap dat alles altijd weer opnieuw begint.


