Wat is dat toch een mooi gedicht (van Neeltje Maria Min): voor wie ik liefheb wil ik heten.
Maar wat is dat eigenlijk, mijn diepste naam?
Annemieke
De kindjes die nu geboren worden (Generatie Beta alweer!) kunnen, net als de kinderen in Spanje, de achternaam van allebei de ouders krijgen. Hoe leuk! Want wat een onzin dat de naam doorgaat in de mannelijke lijn. Kan iemand mij daar één goede reden voor geven?
Toen ikzelf trouwde nam ik de naam van mijn toenmalige echtgenoot aan. Vanuit de gedachte: als ik tussen deze twee mannen moet kiezen, kies ik voor de man met wie ik nu op dit moment mijn leven ga delen. En het leek me ook zo gezellig en praktisch als we als gezin allemaal dezelfde naam zouden hebben. Nu ik opnieuw ben getrouwd, heb ik mijn oude achternaam (dus die van de vaderlijke lijn) aangehouden. Dat was al die tijd ook al mijn schrijversnaam dus lekker makkelijk.
Maar ik ben niet geboren als Anna. In mijn paspoort staat: Annemieke Willemart. Dat was de wens van mijn moeder, ze had ook een beeld bij die naam: een blond meisje met blauwe ogen. Een miniversie van haarzelf. Wat ik totaal niet ben. Ik ben opgegroeid met haar verhaal en een moeder die me ‘zwarte Anna’ noemde. En toen ik achttien werd ben ik mijzelf overal Anna gaan noemen want ‘die naam past beter bij mij.’
Over mijn dode moeder niets dan goeds, maar toch dacht ik laatst ineens: mama, wat heb je gedaan? Het pleasende meisje dat ik was heb je opgezadeld met het idee dat ik niet voldeed aan mijn diepste naam. Ik had blond moeten zijn, blauwe ogen moeten hebben. Nu zou mijn moeder zelf de eerste te zijn om te zeggen dat ik helemaal goed ben zoals ik ben, maar toch.
Soms zeg ik nu, in de stilte van mijn huisje, ineens hardop: Ik ben Annemieke. Met donker haar en groene ogen.


