We waren in het Stedelijk. Met een tijdslot voor de expo van de Japanse kunstenares Kusama.
Ik kende haar eigenlijk niet. Iets met polkadots en fallussen, wist ik. Enorme zilveren bollen, dat was dan ook het eerste wat je zag bij de entree van de expositie. Aaibare kunst, Instagrammable.
Infinity
Het was nogal overweldigend, al die stippen en vage piemels. Er waren ook twee infinity rooms, waarin je kon verdwijnen. Ontsnappen, daar ging het allemaal over. En daarnaast over houvast: de vrolijke stippen waren ook een soort bezwering, las ik op de bordjes, vergelijkbaar met computertaal. Er waren ook nogal wat filmpjes van happenings in de jaren zestig, waarin je Kusama ook letterlijk allemaal blote mannen zag bestippelen met verf, tot op hun geslacht aan toe. Dansende en rollebollende hippies, ook in Amsterdam.
Het was al met al een mooie zondagmiddag.
’s Avonds keken J en ik een documentaire over de kunstenares. Daaruit kwam een beeld naar voren van een groot jeugdtrauma: kennelijk moest de kleine Kusama van haar moeder haar vader bespioneren bij al zijn seksuele escapades, ze zag als klein meisje meer bloot dan haar lief was. Ze ontvluchtte Japan, maar kwam er ook weer terug na al haar wilde stippelavonturen. ‘Andere mensen beschilderde ze op de meest intieme plekken, maar haar mocht niemand aanraken.’ Uiteindelijk zat Kusama een tijdje in een inrichting, later werd ze een cult superster. En dat is ze nog steeds, ook na haar dood.
Maar dat verhaal van die vader zette de tentoonstelling met terugwerkende kracht toch in een ander licht.


